DAGVAARDING

maandag 22 februari 2010

 

DAGVAARDING
 
Heden, de                                                                                                            tweeduizendtien
op verzoek van de VERENIGING MET RECHTSPERSOONLIJKHEID VAN PLAATSELIJKE POLITIEKE GEROEPERINGEN nader ook te noemen ‘VPPG’ – in deze gevestigd en kantoorhouden­de Maasbrachterweg 81 (6101XV)  te Echt, en de heren Johannes van Agteren wonende (7512 EE) te Enschede, aan de Mooienhof 309, Hans Engelbert Jan Wensing, wondende te (9407 CR) Assen, aan de Buitenes 5, dr. Georg Karl Eugen Götz, wonende te (6291 VV) Vaals, aan de Aan de Noot 5, Marcus Gerhardus Theodorus Pastors, wonende te Rotterdam , Victor Hugo Kloos, wonende te (1811 CC) Alkmaar aan de Oudegracht 137, Hindrik Bonno George Ketting, wonende te (3451 VK Vleuten) aan de Rijnweide 12, Willem Hoogendijk, wonende te (2861 EK) Bergambacht aan de Dijklaan 19, Elias Leonard  Bom, wonende te (3446 WJ) Woerden aan de Retsinagaard 6, Theodorus Peter Emanuel van Kerkhof, wonende te (7312 TS) Apeldoorn aan de Asselsestraat 381, drs. Bastiaan Gerrit Euser, wonende te (3161 BC) Rhoon aam de Oranje Nassaulaan 8, Dirk Machiel Lambertus Vuijk, wonende te (4851 CW) Ulvenhout, aan de Mgr. van Dijkstraat 3, Ramon Barends, wonende te (6538 RV) Nijmegen, aan de Zwanenveld 65-03, Sent Gerardus Wierda, wonende te (6542 VD) Nijmegen, aan de Tweede Oude Heselaan 161 en mevrouw Clementien Marie Julie Elfriede Carolien Wintraecken-van Banning, wonende te (7213 ET) Gorssel aan de Dommerholtsweg 2 – hierna te noemen ‘overige eisers’ – die te dezer zake domicilie kiezen aan het Stationsplein nummer 99-101 ten kanto­re van Holla Poelman van Leeuwen advocaten (Postbus 396, 5201 AJ ’S-Hertogenbosch) van welk kantoor mw. prof. mr. E. Steyger en de heer mr. F.A. Pommer, die als hun advocaten zullen optreden, heb ik,
 
GEDAGVAARD
 
DE STAAT DER NEDERLANDEN (VERTEGENWOORDIGD DOOR HET MINISTEIRE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES), met zetel te Den Haag, mitsdien mijn exploot doende ter parkette van de Procureur –Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden aan het adres Kazernestraat nr. 52 te Den Haag, aldaar sprekende met en afschrift deze latende aan:
 
OM
 
op woensdag, de                                       tweeduizendtien (2010), des voormid­dags te 10.00 uur, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat, te verschijnen ter open­ba­re civiele terechtzit­ting van de Rechtbank te ’s-Gravenhage, die alsdan gehouden zal worden in één der lokalen van het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage aan de Prins Clauslaan 60, waarvan het postadres is  Postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage;
 
MET UITDRUKKELIJKE VERMELDING
 
1.         dat gedaagde(n) gewezen is/zijn op het bepaalde in artikel 111 lid 2 sub h en 1 jo artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welke bepalingen inhoudelijk hierop neerkomen dat gedaagde(n) op de bovengenoemde terechtzitting advocaat dient/dienen te stellen met inachtneming van de voorgeschreven termijnen en formaliteiten, bij gebreke waarvan de rechtbank de eis bij verstek zal toewijzen, tenzij deze de rechtbank ongegrond of onrechtmatig mocht voorkomen.
 
2.         dat voorts voor het geval –blijkende uit dit exploot- er meer dan één gedaagde is, gedaagden gewezen zijn op de rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnt als vermeld in artikel 140 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wat inhoudelijk hierop neerkomt dat tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak ten aanzien van alle betrokken partijen wordt beschouwd.
 
TENEINDE
 
Namens de VPPG en de overige eisers te horen eisen en concluderen
 
1.        Inleiding en samenvatting van de feiten

1.1          De VPPG behartigt volgens artikel 2 van haar statuten de belangen van plaatselijke politieke groeperingen en hun raadsleden (productie 1). De VPPG behartigtop dit
moment de belangen van circa 200 lokale politieke partijen in Nederland. De VPPG onderstreept het belang van lokale politieke partijen. Een lokale politieke partij is volgens de doelstelling van de VPPG een partij of groepering, die slechts in één gemeente aan de gemeenteraadsverkiezingen meedoet en geen enkele binding heeft met een landelijke politieke partij.

1.2          De VPPG stelt zich in het algemeen tot doel om discriminatie van lokale politieke partijen op alle gebieden en meer in het bijzonder op het gebied van subsidiering op te heffen. De doelstelling wordt als volgt ingevuld:
1.1. De VPPG treedt desgevraagd of uit eigen beweging adviserend, coördinerend en stimulerend op als het gaat over de voorbereiding van wettelijke en andere maatregelen door de andere overheden;
1.2. de VPPG fungeert als spreekbuis voor de aangesloten partijen en raadsleden en vertegenwoordigt hen in verschillende overlegstructuren zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG);
1.3. de VPPG voert overleg met landelijke, provinciale en andere overheden, alsmede met andere organisaties en instellingen, over aangelegenheden die haar leden raken;
1.4. de VPPG fungeert als vraagbaak bij praktische problemen. Leden kunnen aankloppen voor adviezen over vragen en problemen die zich voordoen in hun politieke praktijk;
1.5. de VPPG neemt ten behoeve van haar leden zitting in overheidscommissies c.q. adviesorganen en in besturen en commissies van andere organisaties en instellingen;
1.6. de VPPG organiseert, al dan niet in samenwerking met anderen, cursussen om de deskundigheid van lokale politici te bevorderen;
1.7. de VPPG organiseert jaarlijks een groot landelijk congres voor lokale partijen, met telkens een actueel thema. Op het congres is ruimte om de sprekers en collega-politici te ontmoeten en met hen van gedachten te wisselen;
1.8. de VPPG organiseert op regionaal niveau bijeenkomsten, trainingen en workshops;
1.9. de VPPG geeft een digitale Nieuwsbrief uit over actuele zaken en informatie over politieke thema’s;
1.10.      de VPPG onderhoudt een website: www.vppg.nl;
1.11.      de VPPG heeft een eigen wetenschappelijk bureau voor
             politiekwetenschappelijke activiteiten ten gunste van de onafhankelijke
             beweging.
 
1.3          De VPPG ontvangt voor haar activiteiten geen subsidie. Dat geldt evenmin voor de lokale politieke partijen die zij vertegenwoordigt. Politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in de Tweede en Eerste Kamer der Staten Generaal ontvangen wel subsidie op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp). De praktijk wijst uit dat deze partijen een deel van hun subsidiegelden inzetten ten behoeve van hun lokale afdelingen.
 
1.4          De VPPG is van oordeel dat de Wspp-subsidie en de daaruit volgende praktijk een inbreuk opleveren op het recht op de uitoefening van het passief kiesrecht, het gelijkheidsbeginsel naar nationaal en internationaal recht en tevens een schending oplevert van het Gemeenschapsrecht.
 
1.5          De overige eisers zijn kandidaatleden voor diverse gemeenteraden en tevens leden van plaatselijk politieke partijen. Zij delen de mening van de VPPG en stellen zelf benadeeld te zijn in hun passief kiesrecht, nu zij niet op gelijke voet met kandidaten van landelijke politieke partijen die meedoen aan de gemeenteraadsverkiezingen, gelden ontvangen om hun verkiezing mogelijk te maken.
 
1.6          Teneinde deze ongelijkheden op te heffen, zien de VPPG en de overige eisers zich thans genoodzaakt zich in een procedure tegen de Staat tot uw rechtbank te wenden.

 
2.            Juridisch kader
 
2.1          Het passief kiesrecht
 
2.1.1      Artikel 4 Grondwet (Gw) biedt iedere Nederlander gelijkelijk het recht de leden van
algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen, alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen. Deze bepaling sluit aan bij artikel 3 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en bij artikel 25 van het Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Het kiesrecht is uitgewerkt in de Kieswet. Daarnaast bevatten de Gemeentewet en Provinciewet bepalingen over het kiesrecht op decentraal niveau. In het navolgende zal met name bij het kiesrecht op decentraal niveau worden stilgestaan.
 
2.1.2      Op grond van het passief kiesrecht kunnen alle Nederlanders van 18 jaar en ouder als vertegenwoordiger in een vertegenwoordigend orgaan van de Staat verkozen worden, behalve diegenen die zijn uitgesloten van het kiesrecht. Alleen bij wet in formele zin kunnen beperkingen en uitzonderingen worden gemaakt op het passief kiesrecht. Deze beperkingen en uitzonderingen zijn limitatief en dienen restrictief te worden uitgelegd.[1]
 
2.1.3      Het kiesrecht betreft een bijzonder klassiek grondrecht. Het wijkt namelijk op een aantal punten af van de overige klassieke grondrechten. Zo kan het (passief) kiesrecht niet worden uitgeoefend zonder overheidsoptreden. De overheid zal verkiezingen moeten organiseren, ook op decentraal niveau en financieren.[2] De Staat moet de mogelijkheid tot uitoefening van het passief kiesrecht niet alleen waarborgen, maar ook faciliteren. In zoverre bevat artikel 4 Gw een ‘instructienorm’ aan de Staat: telkens zal bij het in het leven roepen van een vertegenwoordigend orgaan, in beginsel moeten zijn voorzien in een ‘gelijkelijk’ toekennen van het actief en passief kiesrecht aan de vertegenwoordigden.[3] Met het bestanddeel ‘gelijkelijk’ wordt in artikel 4 Gw tot uitdrukking gebracht dat iedere kandidaat die zich verkiesbaar stelt evenveel gewicht wordt toegekend.[4] Iedere kandidaat verdient evenveel kans om gekozen te worden in een vertegenwoordigend orgaan (‘Chancengleichheit’). Alleen zo kan het primaire doel van het kiesrecht worden bereikt, namelijk een goede bezetting en functionering van vertegenwoordigende organen.[5]
 
2.1.4      Het bijzondere karakter van artikel 4 Gw is ingegeven door het belang dat wordt toegekend aan politieke partijen. Zonder de activiteiten van politieke partijen is de uitoefening van het kiesrecht zo goed als onmogelijk.[6] Politieke partijen vormen het hart van het stelsel van de representatieve democratie. Zij zijn de onmiskenbare schakel tussen overheid en samenleving (intermediaire functie).[7] Het (voort)bestaan van politieke partijen is dan ook noodzakelijk voor het passief kiesrecht.
 
2.1.5      Dit is ook de grondgedachte geweest bij de totstandkoming van de Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) in 1999.[8] In het belang van het democratisch bestel moeten politieke partijen hun functie naar behoren kunnen vervullen. Een gezonde financiële positie – zo is de gedachte – is hiervoor een basisvoorwaarde. Met subsidie krachtens de Wspp wordt beoogd daar een bijdrage aan te leveren. De behoefte aan financiële steun is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Politieke partijen hebben namelijk te kampen met dalende ledenaantallen en dus ook contributie-inkomsten enerzijds en een toename van de uitgaven voor met name verkiezingscampagnes, vorming, scholing, de bevordering van jongerenparticipatie, etc. anderzijds.[9]

2.2        Wet subsidiëring politieke partijen

2.2.1       De Wspp is het gevolg van de verplichting krachtens artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een wettelijke grondslag aan (structurele) subsidieverlening te geven. Op grond van de Wspp verstrekt de Minister subsidie aan politieke partijen die hebben deelgenomen aan de laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten Generaal met haar aanduiding boven de kandidatenlijst en aan de lijst waarvan daarbij een of meer zetels zijn toegekend. De politieke partij moet beschikken over ten minste 1000 leden en de subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

2.2.2       De subsidie wordt slechts verstrekt voor bepaalde activiteiten die expliciet en limitatief zijn opgenoemd in art. 5 Wspp. Die activiteiten zijn achtereenvolgens:
a.       politieke vormings- en scholingsactiviteiten;
b.       informatievoorziening;
c.       het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland;
d.       het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van zusterpartijen buiten Nederland;
e.       politiek-wetenschappelijke activiteiten;
f.       activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren;
g.       het werven van leden;
h.       het betrekken van niet-leden bij subsidiabele activiteiten van de politieke partij;
i.        werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers;
j.        activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes.[10]
 
2.2.3       De Wspp voorziet in beginsel uitsluitend in subsidiëring van politieke partijen met zetels in de Tweede of Eerste Kamer der Staten Generaal. Voor politieke partijen die in de gemeenteraad zijn vertegenwoordigd is sinds 2009 in totaal € 400.000,-- beschikbaar. Daarop kunnen al deze partijen in Nederland aanspraak, ook de lokale afdelingen van landelijke partijen. Dit subsidiebedrag mag uitsluitend worden besteed aan de opleiding van raadsleden en dus niet aan het voeren van campagnes en aanverwante zaken.
 
2.2.4       Landelijke partijen hoeven voor hun landelijke verspreide lokale afdelingen maar één aanvraag in te dienen. Zo dient de VVD ten behoeve van al haar lokale afdelingen een aanvraag in. De verdeling van het beschikbare subsidiebedrag vindt vervolgens plaats naar rato van het totaal aantal zetels in gemeenteraden in Nederland. De heer Pastors heeft voor zijn partij Leefbaar Rotterdam in 2009 een aanvraag gedaan van € 20.000,--. Omdat Leefbaar Rotterdam landelijk gezien 14 zetels hebben in gemeenteraden, heeft de partij slechts ca. € 700,-- aan subsidiegeld ontvangen. Volgens de Telegraaf kregen partijen die ook landelijk actief zijn van de Minister € 371.000,-- van de in totaal beschikbare € 400.000,-- (productie 2).
 
2.2.5       Het huidige standpunt van de Minister is dat eventuele subsidiëring van lokale en regionale politieke partijen primair een taak is van de decentrale overheden zelf. Hierop zal later nader worden ingegaan.
 
2.3       Ontwikkeling lokale politieke partijen
 
2.3.1      De landelijke teneur is echter dat – zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Kiesraad – het aantal uitgebrachte stemmen op lokale groeperingen in de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Zo ging in 1990 17,5 procent van het aantal uitgebrachte stemmen uit naar lokale groeperingen, in 1994 was dat 21,2 procent, in 1998 24,4 procent, in 2002 24 procent en in 2006 23 procent.[11] Lokale politieke partijen leggen dan ook steeds meer gewicht in de schaal binnen de decentrale overheden. Deze ontwikkeling heeft in de afgelopen jaren zowel op politiek niveau als in de rechtspraak herhaaldelijk de vraag opgeroepen of niet ook een op de lokale democratie toegesneden vorm van overheidsondersteuning wenselijk is. Een wijziging van de Wspp zou daarbij voor de hand liggen. Tot op heden heeft dit niet tot een wijziging van de Wspp geleid.
 
3.          Gezien het bovenstaande berust de vordering op de volgende gronden:Naar het archief.